door: Peter Logger, pl@cybercomm.nl
Robin keek naar zijn nieuwe darts. Ze straalden iets uit. Iets mysterieus , iets kwaads. Hij kon zelf niet precies zeggen wat hij hiermee bedoelde. Het was een ‘niet te omschrijven' sensatie. Hij moest lachen toen hij zichzelf zo bezig zag met die dingen. Die ouwe gek had hem aardig beïnvloed met zijn kletspraatjes.
Hij herkende de darts helemaal niet. Als er toch iemand was, die iets van deze dingen afwist en die wist, wat er op dit gebied te koop was dan was hij het toch wel. Darten was tenslotte zijn grootste hobby, zijn enige hobby. ‘His way of life' zou je kunnen zeggen. Hij was ongetwijfeld een van de besten, zo niet dé beste. Hij had echter een groot probleem en dat waren de zenuwen.
Hij speelde de sterren van de hemel: hij gooide de ene 'honderd tachtig` na de andere. Hij gooide met gemak 'honderd zeventig` uit. Alleen op het moment dat het echt om de prijzen ging; als de kwartfinale naderde, dan liet hij het afweten. Dan was 'zesentwintig` al aardig hoog voor hem en een dubbel, daar hoefde hij al helemaal niet aan te denken. Hij had alles geprobeerd: drank, hypnose (hij was door de beste hypnotiseur niet in slaap te krijgen) en hasj.
Die ouwe gek uit de kroeg had de oplossing voor hem: deze wonderdarts. Hij rolde ze tussen zijn vingers. Het was eigenlijk heel tragisch afgelopen met die ouwe. Hij had hem net die darts geschonken en liep de kroeg uit. Even later hoorden ze in de kroeg hard remmen van een auto en een klap. De ouwe scheen zo voor de auto gesprongen te zijn. Iedereen, die het had gezien was het erover eens dat het hier om zelfmoord ging.
Robin kon het gevoel niet van zich afzetten dat dit de reden was, dat de man de hand aan zichzelf had gelegd. Hij moest eerst die darts kwijt en dan pas kon hij eindelijk afscheid nemen van dit leven. Als Robin de darts niet had geaccepteerd dan had die ouwe misschien nog geleefd.
Hij probeerde de gedachte nog van zich af te schudden. Als hij hiermee doorging dan zou hij zich nog schuldgevoelens aanpraten. Maar hoe hij zijn best ook deed; het hielp niet. Hij had die verrekte dingen nooit mogen accepteren.
Het was ook een veel te duur cadeau, om van een totaal vreemd iemand aan te nemen. Die dingen kostten toch al gauw zo'n honderdje of twee. Hij woog ze in zijn hand. Wel zijn gewone gewicht: vierentwintig gram. Hetzelfde als zijn eigen darts. De grip van de dingen was perfect. Even oefenen en dan zou hij met deze darts net zo goed gooien als met zijn eigen setje.
De verleiding werd groter en groter. Van slapen zou vannacht toch niet veel komen. De dood van die oude man hield hem teveel bezig. Hij moest iets doen om zijn gedachten af te leiden. En wat zou dat beter kunnen zijn dan een partijtje darts.
Hij had een dartbord in de kamer hangen dus hij kon meteen aan de slag. Een keer diep inademen en concentreren. Het zou wel tegen vallen want hij had al een aardige slok op.
Sommige mensen gingen juist beter gooien als ze veel hadden gedronken maar met hem was dat echt niet het geval: het tegendeel was waar. Even een 'drie-nul-een` met een dubbele opening. Hij richtte op de 'bulls-eye` en liet de pijl uit zijn hand vliegen. Het kon niet beter! Midden in de roos! Nu een 'trippel negentien`: meteen raak! En dat zonder ingooien. Dit was meer
geluk dan wijsheid. Trippel twintig: raak! Sensatie maakte zich van hem meester. Hij liep naar het bord om de pijltjes te pakken. Zou er dan toch iets met de pijltjes wezen?
Honderden vierendertig punten over. Hij dacht na, hoe hij dit aan zou pakken. Hij richtte weer. Dubbel zeventien... raak! Trippel twintig... raak!
De zenuwen begonnen hem weer parten te spelen. Dit ging gewoon te goed: al die drank en dan nog zonder even te hebben warm gegooid.
Met trillende hand richtte hij op de dubbel twintig. Als dit lukte, dan zou hij een gat in de lucht springen... JA!! Hij zat! En dát met zo'n trillend handje.
Hij had zich zelden zo zeker gevoeld als nu. Hem kon niets gebeuren. Als hij nu een wedstrijd zou moeten spelen dan zou hij die met gemak winnen. Het lag echt aan die pijlen. Ze straalden een enorm gevoel van zelfvertrouwen uit.
Hij zag zichzelf al de wereldkampioenschappen winnen. Eerst zou hij natuurlijk hier in Nederland zijn sporen moeten verdienen, maar met deze pijlen in zijn hand zou hem niets meer kunnen gebeuren. Het kwam niet eens bij hem op dat het wel eens gewoon toeval zou kunnen
zijn.
Robin speelde nog enkele spelletjes maar ze waren allemaal hetzelfde. Hij raakte alles wat hij maar wilde. Zelfs het rekenen ging hem goed af. Normaal moest hij lang rekenen om te bepalen hoe hij het spel zou spelen maar nu ging het als vanzelf. Deze pijlen hadden een ander mens van hem gemaakt. Er kon niets meer misgaan.
De oude man was hij al lang vergeten. Na enkele spelletjes wist hij niet beter meer, of dit waren altijd al zijn eigen pijlen geweest. Na twee uur gooien moest hij ophouden. De vermoeidheid sloeg toe. Hij kon zijn ogen amper nog openhouden. Hij haalde nog net de rand van zijn bed en viel ter plekke in een diepe slaap. Zijn drie darts nog stevig in zijn hand gesloten.
Door het prikken van de zon in zijn gezicht werd hij wakker. Hij kreunde. Het duizelde hem. Er was iets speciaals gebeurd. Wat was het ook al weer? De herinnering wilde maar niet komen. Had hij dan zoveel gedronken die laatste avond? Hij kon het zich met de beste wil van de wereld niet meer herinneren.
Wat had ie nu in zijn hand? Verbaasd keek hij naar de inhoud. Oh ja! Nu kwam de herinnering weer. De nieuwe darts! De wonderdarts! Hij wilde overeind springen maar dat viel tegen. Hij had zo'n spierpijn dat hij blij was dat hij überhaupt nog overeind kon komen. Met de bewegingen van een oude man strompelde hij de slaapkamer uit, naar de badkamer. Wat had hij gisteren toch in Godsnaam uitgevoerd, dat hij zo stijf was.
Het gezicht dat hem vanuit de spiegel aankeek gaf hem ook al niet veel hoop. Hij had dikke wallen onder zijn ogen en zijn grijze krullen hingen bezweten voor zijn ogen... Grijze krullen?!?! Grijs?! Hij was toch nog niet grijs! Gisteren tenminste nog niet.
Met bonkend hart bestudeerde hij zijn gezicht. Wat was er met hem aan de hand? Zijn gezicht leek wel dat van iemand, die tien jaar ouder was dan hij. Er waren rimpels, die er gisteren nog niet waren. Zijn haar was hier en daar grijs, waar het gisteren nog blond was. Hij liet zijn darts vallen en bracht zijn beide handen naar het gezicht. Afschuw maakte zich van hem meester.
Het moment, dat de darts de grond raakten schoot er een steek door zijn borst. Hij snakte naar adem. Was er iets met zijn hart? Het angstzweet brak hem uit.
Dat kon toch niet. Hij voelde zich altijd zo lekker als een vis en dan nu opeens dit! Zitten... eerst maar eens zitten. Hij kon toch niet hier de hele tijd in de badkamer blijven staan. Wassen en scheren kwam later wel als hij weer een beetje was opgeknapt. Straks zou het wel weer beter gaan. Gewoon even bijkomen. Dan zou zijn gezicht er ook wel weer wat jonger uitzien. Het zou allemaal wel door die kater komen.
Nadat hij zich had gebukt om de darts weer op te rapen voelde hij zich meteen weer een stukje beter. De pijn in zijn borst was verdwenen en hij kon ook weer wat helderder nadenken. Langzaam kwamen de herinneringen aan de vorige avond terug. Hij herinnerde zich weer de sublieme partijtjes darts, die hij had gespeeld.
Hij bracht de pijltjes naar zijn mond en gaf er een zoen op. "Jullie zullen mij een heleboel geld en faam opbrengen. Wij zullen samen een geweldige toekomst tegemoet gaan.
Hij liet zich achterover zakken op de bank en keek naar zijn nieuwe aanwinsten. Met die pijltjes in zijn hand leek hij zich sterker te voelen dan ooit. De pijn van zoeven was dan ook geheel verdwenen. Als hij nu in de spiegel zou kijken zou hij zijn oude gezicht weer terug herkennen. Zijn haren zouden weer net zo goudblond zijn als voorheen en de rimpels zullen uit zijn gezicht zijn verdwenen. Voorzichtig legde hij de pijltjes op het tafeltje en begaf hij zich weer naar de badkamer.
Voor de spiegel sloot hij even zijn ogen. Hij durfde toch niet meteen te kijken. Stel je voor, dat het toch geen gezichtsbedrog was geweest. Stel je voor, dat hij toch overnacht een verouderingsproces had ondergaan. Nee, flauwe kul. Kom verman je en open de ogen.
Hij sloeg bijna om van de schrik! Daar keek hem hetzelfde gezicht aan dat hij vanmorgen ook had gezien. Zijn eigen gezicht! Dit was toch niet mogelijk! Hij kon toch niet overnacht zoveel ouder zijn geworden? Zou hij een ziekte hebben opgelopen?
Plotseling hoorde hij lachen. Hij keek om zich heen. Wie was dat. Niemand te zien. Het lachen hield aan. Hij rende de badkamer uit, de kamer in. Niemand. Het lachen werd steeds luider. Stond hij op het punt, gek te worden? Hoorde hij nu ook al stemmen? Kom, je verbeeldt het je maar. Er is hier niemand en je hoort ook geen stemmen. Dit is allemaal flauwe kul. Je bent gewoon ziek. Je moet slapen; dan gaat alles weer over.
" Nee, niet slapen! Je moet darten. Je moet niets anders doen dan darten. Darten is het enige medicijn dat jou kan helpen."
Die stem; waar kende hij die stem van? Hij had die stem al eerder gehoord. Plotseling wist ie het weer: die ouwe vent uit de kroeg! De man van wie hij de darts had gekregen. De man, die zelfmoord had gepleegd. "Darten houdt je jong. Darten is het enige, dat jou nog kan redden. Je moet die pijltjes gooien. Je moet ze gelukkig maken. Als je dat doet dan zullen ze goed voor
jou zijn. Ze zullen eten en drinken voor je zijn. Je zult niets anders meer nodig hebben in je leven dan de pijltjes. Zij zijn de kracht die je nodig hebt om te overleven. Hoe langer je wacht, hoe slechter het met je gaat." Weer die lach, die ziekelijke lach.
Hij bracht wanhopig zijn handen naar de oren. Hij wilde de stem weren maar het was tevergeefs. Het schaterlachen ging maar door, eindeloos door.
Die verrekte pijltjes! Hij moest van die ondingen af. Hij wilde ze grijpen en weggooien. Die dingen waren vervloekt. Hij strekte zijn arm om ze te grijpen. Het moment, dat hij ze greep, hield het lachen weer op. Er stroomde een gevoel van rust door hem heen. Beter als nu, had hij zich nog nooit gevoeld.
Wat zou hem toch hebben bezield. Hoe kon hij toch zo dom zijn geweest om de schuld aan de pijlen te geven. Het waren toch gewoon dode dingen.
Het dartbord trok hem als een magneet. Hij moest weer gooien. De pijlen moesten weer vliegen! Zijn geluk hing hier vanaf... Zijn leven. Hij gooide en gooide. De wereld bestond niet meer voor hem. Alles vervaagde. Er bestonden nog maar drie dingen: Robin, de pijlen en het bord.
Enkele uren later vertrok hij ongeschoren en ongewassen. Hij zou naar een dartswedstrijd gaan, waar hij zich enkele dagen geleden voor had opgegeven. De eerste prijs was duizend gulden en die zou hij nu wel binnen kunnen halen. Wat zouden ze een ogen opzetten als hij won.
Hij kende de deelnemers allemaal 'de kapsoneslijers`. Ze zouden wel weer aardig wat grapjes over hem maken. 'Mister Tremble` werd hij spottend genoemd vanwege zijn trillende zenuwenhanden. Nou, hij zou ze nu wel even op hun neus laten kijken. Hij zou weglopen met de eerste prijs. Hier bestond voor hem geen twijfel meer over. Hij zou niet alleen de eerste prijs
in de wacht slepen. Hij zou de prijs krijgen voor de meeste keren 'honderd tachtig` en voor het hoogst uitgooien en als die er was, zou hij ook de prijs voor het partijtje met de minste aantal pijlen ontvangen.
Hij had nog niets gegeten maar hij had ook geen honger. Hij had nergens behoefde aan. Zijn grijze haren was hij ook al weer vergeten. Het had allemaal geen enkel belang meer. Er telde nu maar één ding en dat was WINNEN!
Nu, ze hadden op hun neus gekeken! Robin had alles gewonnen wat een enkele speler maar had kunnen winnen. Hij was in een roes. Hij had niets bemerkt van het vreemde gedrag van de andere spelers. Hij had niet bemerkt dat er niemand met hem praatte. Hij merkte niets van de angst die men voor hem had. Hij werd de hele dag gemeden als iemand met een besmettelijke ziekte. Er was niemand die applaudisseerde als hij iets presteerde. Robin had niets maar dan ook helemaal niets bemerkt van de vreemde sfeer, die er had gehangen. De hele wedstrijd had zich in stilte afgespeeld. Wie niet meer hoefde te gooien ging weg. Niemand was nog blijven kijken naar de finale. Alleen de andere prijswinnaars waren gebleven om hun prijzen in ontvangst te nemen maar zelfs zij waren niet blij. Ze hadden maar een ding in hun hoofd en dat was zo snel mogelijk weer weg. Ze wilden niet langer dan nodig in de zelfde ruimte verblijven als Robin.
Hij zou nog even naar de kroeg gaan om een drankje op zijn overwinning te drinken en misschien was er nog iemand, die een pijltje met hem wilde gooien. Misschien kon hij zijn prijzengeld nog wat aanvullen. Er was vast wel iemand te vinden die om een geeltje wilde spelen.
Toen hij de deur van het café opende werd het plotseling doodstil binnen. Alle ogen waren op hem gericht. Wat zouden ze mankeren? Hij had toch niets van ze aan? Ach, wat kon het hem ook schelen? Als zij niet wilden praten dan zou hij het ook niet doen. Ze konden het krijgen zoals ze het hebben wilden.
Hij nam zijn glas in ontvangst en zette het op de tafel bij het dartbord. Paul, zijn maat stond een beetje te gooien maar toen hij zag dat Robin naar hem toe kwam pakte hij snel zijn pijlen en borg die weer op. Met trillende handen stopte hij het etuitje in zijn binnenzak en ging naar de bar. Hij betaalde en verliet het café.
Die wilde dus niets meer met hem te maken hebben. Nou, dan niet. Zolang zijn echte vrienden hem maar niet in de steek zouden laten: zijn pijlen. Liefdevol streelde hij de pijlen en gooide ze daarna in het bord. "Honderd tachtig" natuurlijk; dat kon niet missen.
Het praten begon weer. De gezelligheid was weer helemaal terug maar niemand schonk enige aandacht aan Robin. Zijn glas bleef de hele avond gevuld. Hij had er geen slok uit genomen. De kastelijn maakte zich hier niet druk om. Als er aan Robin niets te verdienen viel dan kon hem dat niets schelen. Zolang die vent bij het dartbord was had niemand last van hem. Hij wist trouwens niet eens dat het Robin was. Hij kende die ouwe vent niet. Hij vond het maar een vies oud mannetje dat zich nodig eens mocht scheren en wassen.
Hij kon trouwens goed darten, dat moest hij hem nageven. Hij zou echter nooit met hem willen spelen want er was nog iets niet in orde met die vent al wist hij niet wat dat was maar die ouwe had iets slechts, iets kwaads over zich. Hij straalde het naar alle kanten uit. Zo oud als dat kereltje was: je moest volgens hem geen ruzie met die man krijgen want dan kon het nog wel eens heel erg slecht met je aflopen.
Had de kastelijn het zich nu verbeeld of was die ouwe onder het spelen jonger geworden? Hij zou het zich wel verbeeld hebben. Het zou wel door het licht komen... of toch niet. Hij wist het niet zeker. Ach eigenlijk wilde hij het ook niet weten. Je kon maar beter zo weinig mogelijk met die vent te doen hebben.
Robin was weer thuis. Hij was ingestort en lag nu op de grond. Zo vermoeid als nu, had hij zich nog nooit gevoeld. Zijn darts lagen naast hem op de grond. Zijn hele lichaam trilde. Hij wilde opstaan maar het wilde niet lukken. Hij had hulp nodig. Kon hij maar bij de telefoon komen om een dokter te bellen maar hij kon de kracht niet opbrengen om op te staan.
Wat was er toch in Godsnaam met hem aan de hand? Hij had ook de hele dag nog niets gegeten of gedronken. Maar als hij aan eten dacht dan werd hij al misselijk. Geen hap zou hij door zijn strot kunnen krijgen.
Wat voor ziekte zou hij onder de leden hebben. Hij keek naar zijn handen. Ze waren gerimpeld. Dit waren niet zijn handen. Dit waren de handen van een hele oude man. Beklemming maakte zich van hem meester. Het angstzweet brak hem aan alle kanten uit. Hij moest hulp hebben, anders zou hij dit niet overleven.
"Je moet darten," klonk het in zijn oren, "alleen met darten kun je overleven. Alleen met darten kun je je goed voelen. De pijlen hebben je nodig. Ik heb je nodig!"
Weer die stem. Hij had die stem eerder gehoord. Vanmorgen hier thuis en daarvoor... Ja, hij wist het weer. Het was die ouwe man uit de kroeg. De man die hem die darts had geschonken. Die vent was toch dood. Hoe kon hij zijn stem dan horen. Dit was onmogelijk. Het zou wel door de ziekte komen, dat hij stemmen hoorde.
Hij keek weer naar zijn handen. Dit kon toch niet waar zijn! Dit was echt onmogelijk. De rimpels waren dieper geworden. Het trillen heviger. Zijn blik viel op de darts, die naast hem lagen. Ze schenen. Ze gaven licht. Hij voelde warmte van ze uitstralen. Energie! Kracht! Hij moest ze pakken. Zij zouden hem weer op de been helpen. Dat hij daar niet eerder aan had gedacht! Natuurlijk! De darts: zijn redding. Hij moest spelen. Hij moest de pijlen gooien.
En hij gooide ze; de hele nacht, de hele daarop volgende dag. Hij kende geen vermoeidheid meer. Hij zat weer strak in zijn vel. Hij was weer jong en sterk. Hem kon niets meer gebeuren. Zolang hij maar gooide. Hij mocht niet dezelfde fout begaan als die andere vent. Hij mocht de pijlen nooit weg geven. Zij zouden zich wreken. Hij moest spelen om zijn leven...